“Hé… gaat het?” De vrouw keek geschrokken op. Even leek het erop dat ze het van zich af zou schuiven. “Ik… ik weet het niet,” gaf ze uiteindelijk toe. Haar stem trilde. Toen, na een pauze, voegde ze er zachtjes aan toe: “Ik ben Sienna. Dit is mijn dochter.” Van dichtbij was het nog duidelijker. Ze zag er uitgeput uit.
Niet alleen moe – afgemat op een manier die niet kwam van een enkele slechte dag. Er zaten donkere kringen onder haar ogen en haar greep op het kind was strak, bijna beschermend. Tussen pauzes en voorzichtige woorden door legde ze genoeg uit voor Altha om het te begrijpen. Ze had een slechte situatie verlaten.
Iemand zou haar ontmoeten. Haar helpen. Maar ze kwamen nooit opdagen. Nu kon ze nergens heen. Niemand om te bellen.