Wat de ondergrondse ruimte zo ongewoon maakte, was niet alleen het feit dat hij bestond. Het was hoeveel moeite het had gekost om het normaal te laten aanvoelen. In plaats van er koud, industrieel of bunkerachtig uit te zien, waren er delen ontworpen om het leven boven de grond te imiteren. Er waren schilderachtige uitzichten door de hele ruimte heen, bijna alsof degene die het gebouwd had het gevoel van buiten zijn wilde nabootsen zonder ooit echt buiten te komen.
Een van de vreemdste details was wat leek op een keukenraam – maar het “uitzicht” daarachter was niet echt. Het was zo gemaakt dat het leek op een vredig berglandschap, alsof iemand zijn best had gedaan om de ondergrondse ruimte open en vertrouwd te laten aanvoelen. En dat was het gedeelte waardoor het een beetje griezelig begon te voelen. Want als je je eenmaal realiseert dat een plek erg zijn best doet om je ervan te overtuigen dat het iets is wat het niet is, verandert dat de manier waarop je naar alles om je heen kijkt.
Dit was niet zomaar een verborgen kamer. Het was een ruimte die gebouwd was om een compleet andere wereld na te bootsen.
En dat riep alleen maar meer vragen op naarmate ze dieper gingen.