"We moeten weer naar beneden," zei Lukas, terwijl zijn stem hevig trilde en hij rondkeek op zoek naar zijn gevallen zaklamp. "Als er daar beneden een stadsverkenner of een kraker is die door de explosie is getroffen, kunnen we die niet zomaar achterlaten."
Jannik greep Lukas stevig bij de schouder vast en trok hem met kracht weg van het rokende luik. „Kijk eens naar die rook, Lukas! Kijk eens naar je handen!” Er zette zich al een fijn, geelgrijs chemisch residu op hun huid af, en de lucht die uit het luik kwam, werd zo dik en heet dat het gras eromheen zichtbaar verwelkte.
Zich zonder ademhalingsapparaat of verlichting weer in dat pikdonkere, bouwkundig onveilige labyrint wagen, was pure zelfmoord. Terwijl ze hun enorme schuldgevoel en angst onderdrukten, namen ze de hartverscheurende beslissing om de bunker achter te laten. Ze draaiden zich om en renden door de bomen terug naar hun kampeerplaats, pakten hun telefoons en belden onmiddellijk de hulpdiensten.