De man naast haar wel. Elias knikte een keer, liep terug naar zijn stoel, ging zitten en keek naar zijn handen zonder iets te zeggen. Hij zat iets naar voren, zoals je deed als je verwachtte elk moment geroepen te worden, map op zijn knie, hoed in zijn hand. Hij keek naar de gangdeur. Van ergens erachter, nog net hoorbaar boven het lawaai van de lobby, hoorde hij stemmen.
De afstand vervaagde het meeste in toon in plaats van woorden. Maar één woord kwam duidelijk genoeg door. Boer. Toen de stem van Fitch, lager, ongehaast. Een paar woorden kon Elias niet verstaan. Dan iets dat heel erg klonk als wachten en iets dat heel erg klonk als druk.