De donder kraakte boven haar hoofd, de regen sloeg harder neer. Elise strompelde langs de rand van het ravijn, de modder zoog aan haar laarzen. Toen hoorde ze het: een lage kuch, geen dreiging maar aanwezigheid. Schaduw. Ergens dichtbij, ongezien, galmde zijn geluid door de natte lucht als een aankondiging. Haar borstkas spande zich aan met gelijke delen opluchting en schrik.
Ze kroop de helling af en gleed bijna uit. Aan de voet stroomde het water over de stenen. Een kleine figuur zat ineengedoken op een richel – Theo, gevangen, zijn enkel zat vast tussen de rotsen. Shadow stond vlakbij, massief en stil, met zijn staart zwaaiend. Gouden ogen gericht op Elise, onleesbaar. Beschermer, beschermer… of ontvoerder? Ze kon het niet zeggen.