Theo jankte weer, zijn kleine gestalte trilde. Elise schoof langs de gladde richel, elke stap een gok. Schaduw’s blik volgde haar zonder te knipperen, gouden vuur dat de regen ving. “Ik ben het,” fluisterde ze, met een rustige stem. De oren van de panter spitsten zich, haar stem herkennend. De ogen van de jongen verwijdden zich, verscheurd tussen angst en hoop.
Een lichtstraal doorboorde het ravijn, rode stippen trilden over de rotsen. Stemmen riepen: “Doel in zicht!” Elises maag draaide zich om. Ze hief haar armen wijd en beschermde zowel Shadow als Theo. “Niet schieten!” schreeuwde ze, woorden versnipperd door de storm. Geweren kletterden, besluiteloosheid golfde door de rij naderende mannen.