De regen was al lang gestopt. De lucht buiten de truck was koel en zwaar van vocht, het soort dat overal aan vastkleeft. Bomen langs de weg drupten gestaag en ondiepe plassen vingen de zwakke reflectie op van een bleke, verwassen hemel.
Clara zat half omgedraaid in haar stoel en keek neer op de kleine, in een handdoek gewikkelde gedaante in Owens armen. “Het klopt niet,” zei ze zachtjes. “Die doos had zich moeten vullen met modder.” Tom knikte, zijn ogen op de weg gericht. “Ja. Het ding was half begraven. Er had nooit iets in moeten ademen.”