Een grom scheurde door de lucht. Laag. Donderend. En dichtbij. De man stopte halverwege. Uit de bomen achter Evelyn kwam de grotere beer tevoorschijn, zijn schouders gebogen, zijn ogen gericht op de man. Zijn grom werd sterker en trilde door de bosgrond.
Het gezicht van de man verbleekte. “Heb jij ze hierheen gebracht?” Evelyn antwoordde niet. De beer deed een stap naar voren, toen nog een. De man deinsde achteruit, zijn ogen wijd open, plotseling veel minder zelfverzekerd. “Ik ga weg,” zei hij snel, achteruit, handen omhoog.