Jack was halverwege het park voordat hij zich realiseerde dat hij rende. Eli was niet op het veld. Niet bij de doelpalen, niet bij de banken, niet bij de andere jongens die nutteloos hun schouders ophaalden toen Jack vroeg waar hij was gebleven. De kou onder zijn ribben kwam ineens terug.
Hij vond hem helemaal aan het einde van het oostelijke pad, alleen zittend op een bankje bij het grenshek, zijn schouders schokkend. Jack vertraagde pas toen hij Eli’s gezicht zag. Rode ogen. Bleek. Verkeerd. Toen keek zijn zoon naar hem op en zei, met een stem nauwelijks hoger dan een fluistering: “Pap… ik zag mam.”
Jack draaide zich om voordat het zijn bedoeling was. Aan de overkant van de straat stond een vrouw in de deuropening van een klein blauw huis, met één hand rustend op het kozijn, naar hen te kijken. Hij stopte met bewegen. Stopte met ademen. Omdat de vrouw die daar stond zijn vermiste vrouw was.