Jack keek in de richting van de poort. Naar de straat erachter. Toen stond hij op. “Laat zien.” Eli aarzelde. Knikte toen. Ze liepen het park uit en het laantje erachter op. “Welk huis?” Vroeg Jack. Eli wees vooruit. “Dat daar.” Het was een klein, net huis met een verbleekt blauw hek en krijttekeningen op het voetpad.
Een roze fiets leunde tegen de muur bij de trap. Jack opende het hek en liep het pad op. Hij klopte aan. Even later ging de deur open. Jack stopte met ademhalen. De vrouw die daar stond had Sarah’s gezicht. Niet dichtbij. Niet hetzelfde. Precies. Acht jaar proberen niet te hopen stortte in één enkele seconde in. “Sarah,” zei hij. De vrouw knipperde met haar ogen. “Sorry?”