Mijn zoon bracht een verdwaald meisje naar huis. De vrouw die de deur opendeed was mijn overleden vrouw.

Ja tegen Willows konijnenhok in de achtertuin. Ja tegen Rosalind die langer bleef, dan bleef slapen, en uiteindelijk bleef slapen. En langzaam voelde het huis niet meer als een plek waar hij en Eli overleefden. Het begon weer als een thuis te voelen. Voor een tijdje was dat genoeg. Toen begonnen de scheuren.

Geen grote. Gewoon kleine dingen die niet klopten. Sarah neuriede altijd terwijl ze kookte. Rosalind niet. Sarah greep altijd afwezig naar zijn hand. Rosalind deed dat nooit, tenzij ze zich leek te herinneren dat ze dat moest doen.