Mijn zoon bracht een verdwaald meisje naar huis. De vrouw die de deur opendeed was mijn overleden vrouw.

Gewoon een harde, onmiddellijke verkeerdheid die door hem heen ging voordat zijn verstand het had ingehaald. Toen deed het dat wel. Sarah’s litteken was weg. Jack staarde. De plek waar het had moeten zitten – hoog op haar bovenrug, schuin naar haar schouderblad toe – was kaal. Glad. Ongebroken. Niets. Even dacht hij echt dat hij het zich misschien verkeerd herinnerde.

Dat verdriet iets had vervormd. Dat de tijd het had verplaatst, verzacht, vervaagd naar de verkeerde plek in zijn geheugen. Maar nee. Hij herinnerde zich dat hij die wond had schoongemaakt. Hij herinnerde zich het grind. Het ontsmettingsmiddel. De boze rode lijn die het jaren daarna had achtergelaten. Hij herinnerde zich dat hij de rand ervan kuste terwijl Sarah hem uitlachte en zei dat hij raar deed.