“Hij was gelukkig.” “Hij had verdriet.” “Jij ook.” Jack gaf geen antwoord. Want het ergste was dat ze er niet helemaal naast zat. Claire keek hem toen aan, keek hem echt aan, en voor het eerst zag Jack hoe diep de waanvoorstelling ging. Niet het zelfvertrouwen van een oplichter. Niet echt hebzucht. Iets droevigers. Iets veel gebrokeners.
“Je keek naar me,” zei ze zachtjes, “alsof ik een geest was die je wilde aanraken.” Jack zei niets. “Je liet me binnen,” zei ze. “Je wist dat ik anders was en toch liet je me binnen.” “Omdat ik dacht dat je Sarah was.” Claire’s gezicht veranderde toen. Geen schuldgevoel. Het leek meer op wrok. “Ze is weg,” zei ze. De woorden vielen in de kamer en bleven daar.