De hut was klein en ordelijk: boekenplanken aan elke muur, een houtkachel, een achterveranda met uitzicht op een hemlockrug. De man die om vijf uur ’s ochtends opnam was eenenzestig, mager, grijs aan de slapen en had waakzame ogen alsof hij tientallen jaren had gewacht. Hij bestudeerde Dellray’s badge, deed toen een stap achteruit en liet hen binnen.
Claire verscheen uit de achterste gang en bevroor. De stilte die volgde had een textuur die Dellray maar een paar keer in zijn carrière had gevoeld: het gewicht van iets waar lang naar was uitgekeken en dat eindelijk aankwam. Ze keek naar haar man. Hij knikte één keer. Ze kwam aan de keukentafel zitten. De Calloways waren eindelijk gevonden, na 32 jaar!