De flessen kwamen als eerste tevoorschijn – de een vastgeklemd in de heggen, de ander glinsterend op de bodem van het zwembad. Arthur Caldwell viste ze er stilletjes uit en legde ze met een frons opzij. Zijn handen roken naar chloor en oud bier. Elke ontdekking drukte zwaarder op zijn borst, een herinnering dat hier iemand was geweest terwijl hij er niet was.
Geen gezichten, geen stemmen, alleen de nasmaak van binnendringing. Het zwembad, ooit zijn toevluchtsoord, leek nu onrustig, met kleine maar onmiskenbare tekenen van vreemden. Arthur zocht naar verklaringen die ergens op sloegen: passerende kinderen, zwervers die door de tuin liepen, onvoorzichtige bezoekers die hij nooit had opgemerkt. Maar geen van de verklaringen bleef in zijn hoofd hangen.
Nu stond hij aan de rand van het water, de chemische geur hing in de lucht, en keek naar het bewolkte oppervlak dat vaag rimpelde in de wind. Hij was een leraar geweest, een echtgenoot, een man die leefde volgens regels en orde. Maar hier, in het heiligdom waar zijn vrouw van had gehouden, voelde hij zich machteloos – gereduceerd tot een vermoeide oude man, onzeker over wie zijn stille ruimte had opgeëist als de zijne.