Ruth, Sarahs moeder, was achttien maanden ziek geweest voordat ze stierf. Diane kwam onmiddellijk tussenbeide – artsen, beslissingen, papierwerk, elk telefoontje dat gepleegd moest worden. Sarah was degene die tijdens de slechte nachten bleef. Ze verdeelden het zonder erover te praten, instinctief, zoals ademhalen. Sarah had aangenomen dat ze een goed team waren.
Sarah was degene die leerde welke programma’s Ruth leuk vond in haar laatste weken, die het kopje vasthield als haar handen te erg trilden, die in de stoel naast het bed sliep als de nachten slecht waren. Ze had niet getwijfeld aan Diane’s rol of die van haarzelf. Het had, tot voor kort, gevoeld als liefde.