Sommige studenten hielden vol dat hij weer was overgestapt. Anderen mompelden dat hij was weggelopen na de vernedering. Een paar beweerden dat zijn vader ’s nachts was overgeplaatst, terwijl iemand anders zwoer dat het schoolhoofd na sluitingstijd met de politie had gesproken. Toen kwam het moment dat de paniek bezegelde: een politieauto die woensdagochtend voor de school geparkeerd stond.
Twee agenten kwamen het gebouw binnen en liepen rechtstreeks het kantoor van de directeur binnen. Leerlingen drukten zich tegen de kluisjes in de gang in een poging iets te horen, maar elk gesprek in dat kantoor werd gedempt door het institutionele geheim. De pestkoppen die Richard ooit in het rond duwden werden plotseling bleek en fluisterden in kleine kring.