Adrian hapte naar adem. Het was een enkel berenjong, bedekt met modder, met gesloten ogen en trillend van angst. Het zat vast in een ingestort hol, bedolven onder de verschuivende aarde. Voorzichtig verbreedde hij de opening en liet zijn handen naar binnen glijden om het fragiele dier te bevrijden.
Even was Adrian bang dat de wolf zou toeslaan, woedend over zijn indringing. Maar het beest staarde alleen maar, zijn ogen hol van uitputting en iets dat leek op opluchting. Adrian zette het jong voorzichtig op de oever. De wolf liet zijn kop zakken, zijn neusgaten opengesperd, en duwde het welpje toen dichterbij met een trillende snuit.