Op het moment dat Mateo het balkon opstapte, slaakte de ara een oorverdovende, vrolijke kreet, sprong van de tafel en landde direct op de schouder van de jongen, waar hij zijn kopje tegen zijn wang aanwreef. Mateo begroef zijn gezicht in de kleurrijke veren van de vogel en snikte van opluchting, terwijl zijn moeder haar tranen wegveegde en Arthurs handen in diepe dankbaarheid vasthield. „Dank je wel dat je zo goed voor hem hebt gezorgd,” fluisterde ze.
Arthur keek met een voldaan en rustig hart naar het weerzien en voelde geen verdriet toen hij zag hoe zijn dagelijkse metgezel terugkeerde naar de plek waar hij werkelijk thuishoorde. "Hij heeft ook goed voor mij gezorgd," antwoordde Arthur eerlijk, terwijl hij glimlachte naar de jongen die hem nu de truc met de servetring liet zien. Voordat ze vertrokken, keek Mateo naar Arthur op en vroeg of hij hen een keer mocht komen bezoeken.
"Je bent altijd welkom," zei Mateo, terwijl hij zwaaide toen de vrachtwagen langzaam wegreed over de zonovergoten bergweg. Terwijl hij op zijn balkon stond en de middagbries door de bomen ritselde, besefte Arthur dat de stilte niet langer beklemmend of eenzaam was. Het huis was weer stil, maar zijn hart was vervuld, klaar voor alle nieuwe ontmoetingen die het dorp voor hem in petto had.