Mabel stond op haar tenen achter de rozenstruik, en de doornen deden vreselijke dingen aan de mouw van haar pyjama. Het kon haar niets schelen. Door de opening in het hek zag ze meneer Higgins in het maanlicht staan, en hij hield iets vast dat glinsterde.
Haar hart bonkte zo hard dat ze er zeker van was dat hij het daar helemaal aan de andere kant kon horen. Ze drukte haar hand tegen haar mond, net zoals rechercheur Biscuit dat deed in aflevering negen, vlak voordat hij de koekjesdief op heterdaad betrapte.
Meneer Higgins hief het glimmende voorwerp boven zijn hoofd. Het gras onder Mabels blote voeten was koud en een beetje glibberig, en ergens achter haar brak er een takje — net als een bot, dacht ze — en Mabel verstijfde zo snel dat ze helemaal vergat hoe ze moest ademen…