De spoel kletterde luid en zijn adem stokte. Hij kon zijn ogen niet van de dingen afhouden. Ze hoorden niet. Iets aan hen drukte tegen een oud deel van zijn geest dat diep en instinctief zei: Ga weg. Nu.
Toen verschoof een van hen. Slechts een klein beetje, maar genoeg om een klein wak uit te laten breken. Arthur bevroor. Een laag, pulserend gebrom volgde, vaag en vreemd, als iets organisch en tegelijkertijd mechanisch. Een natte trilling, bijna meer gevoeld dan gehoord.