Eleanors handen waren nog steeds begraven in Rex’ vacht toen de eerste golf van opluchting haar zo scherp raakte dat ze er duizelig van werd. Hij was echt. Warm. Hier. Toen verstrakte zijn lichaam onder haar handpalmen. Een lage blaf gromde uit hem, niets als opwinding-waarschuwing. Zijn oren spitsten zich naar voren, gefixeerd op iets dat ze niet kon zien.
“Hé,” fluisterde ze, terwijl ze hem probeerde te kalmeren en zijn nek streelde zoals Michael dat altijd deed. “Het is goed. Het is goed.” Maar Rex kalmeerde niet. Hij stond tussen haar en het open terrein, ademde hard door zijn neus, scande in korte, gedisciplineerde uitbarstingen alsof hij beweging opspoorde die net buiten bereik was.
Eleanor draaide langzaam rondjes, op zoek naar wat hij had gevonden. Niets zag er verkeerd uit. Auto’s. Karren. Mensen die boodschappen inladen. En toch hield Rex stand, elke spier gespannen, alsof hij precies voor dit soort momenten getraind was. Eleanors vreugde koelde af tot iets kouder – een instinct dat ze in jaren niet had gevoeld: er komt iets aan.