Ze sjokten voort, de kliffen doemden ongezien ergens voor hen op. Samantha’s zaklamp trilde in haar greep. Zonder waarschuwing begon de mist neer te dalen vanaf de hoger gelegen grond – dicht, koud, een levend iets dat zich rond hun enkels krulde en dikker werd tot zelfs de dichtstbijzijnde bomen vervaagden tot vage, spookachtige vormen.
De wereld kromp in een paar seconden. De lichtbundels van de zaklantaarns drongen nauwelijks verder dan een paar meter door het zware wit. Samantha kneep haar ogen hard dicht in een poging de duisternis te doorboren, maar alles voor haar versmolt tot vormloos grijs. Een knoop van angst kronkelde in haar maag. Als Juniper in de buurt was, zouden ze hem nooit zien.