Eén geleider haalde zijn schouders op toen hij de formulieren aftekende. “Zou een jager moeten zijn,” zei hij nonchalant. “Had niet de drive.” Hij zei het op de manier waarop iemand het had over een machine die nooit gestart was, niet over een levend dier dat maandenlang getraind had.
Sam hield de hond goed in de gaten. Hij beefde, maar niet van het lawaai of de menigte. Het trillen werd erger als een begeleider te dichtbij kwam. Sam herkende het verschil onmiddellijk. Dit was geen overprikkeling. Het was angst die gebonden was aan specifieke mensen, niet aan de omgeving.