Arthur leunde achterover in zijn rieten stoel, terwijl de middaghitte van de Costa Ricaanse heuvels om hem heen zoemde. Aan de andere kant van de tafel verschoof een felrode ara zijn gewicht en keek hem met een schuin gehouden kop en één donker, intelligent oog aan. Het was hun dagelijkse ritueel: een rustig uurtje waarin ze samen stukjes papaja aten op het winderige balkon met uitzicht op de mangoboomgaarden. Arthur stak zijn duim uit om over de karmozijnrode kop van de vogel te strijken, een gebaar dat het dier gewoonlijk begroette met een zacht geklok.
Toen de vogel vandaag op Arthurs pols stapte om bij een vers stuk fruit te komen, wapperden zijn veren in het zeewindje. Arthurs blik gleed naar beneden, in de verwachting de gebruikelijke geschubde, grijze huid van de vogelpoot te zien. In plaats daarvan bleef zijn blik hangen bij een glinstering bij de enkel van de vogel. Het werd verborgen door donzige pootveren, bijna volledig verborgen tenzij de vogel zich op precies de juiste manier uitrekte.
Arthur verstijfde; zijn hart sloeg plotseling onregelmatig terwijl hij naar het voorwerp staarde. Zijn adem stokte in zijn borst; het stukje papaja gleed uit zijn vingers en tuimelde op de vloerplanken. De papegaai vloog niet weg; hij staarde hem alleen maar aan, met zijn pootje omhoog, alsof hij wachtte tot Arthur eindelijk het geheim zou opmerken dat hij al die tijd met zich mee had gedragen…