Zes maanden eerder was Arthur in het slaperige dorpje Atenas aangekomen met twee gehavende koffers en een zware, pijnlijke stilte in zijn borst. Na veertig jaar als archivaris in een rumoerige stad te hebben gewerkt, voelde de plotselinge stilte van het pensioen minder als een beloning en meer als een verbanning. Door het verlies van zijn vrouw twee jaar eerder waren de stille muren van zijn oude leven simpelweg te groot geworden om er alleen in te wonen.
In een opwelling had hij gekozen voor de weelderige, groene hellingen van Midden-Amerika, in de hoop dat het levendige klimaat iets in hem weer tot leven zou wekken. Aanvankelijk vloeiden de dagen in elkaar over in een eenzame routine van koffie zetten, lezen op het balkon en wandelen naar de plaatselijke markt, waar zijn beperkte kennis van het Spaans hem eerder tot een beleefde toeschouwer dan tot een deelnemer maakte. „Buenos días“, oefende hij tegen de bakker, waarop hij een warme glimlach kreeg die de leegte in zijn dagen nooit helemaal kon opvullen.
Toch vond Arthur een vreemd soort troost in het regelmatige ritme van de tropen. Hij leerde de middagbuien te waarderen en de manier waarop de oranje zon elke avond achter de bergen verdween. Hij hield het vol en bouwde een broze rust op uit zijn eenzaamheid, totdat er op een ochtend een flits van rode en gele veren zwaar op de reling van zijn balkon neerstreek en de stilte voorgoed doorbrak.