“Hou je vast!” Riep Andrew. De boot schoot vooruit. De vorm werd duidelijker. Een man. Drijvend. Levend. Maar hij zwom niet. Zijn lichaam schokte plotseling, heftig, alsof iets hem van onderaf rukte. Jacks maag zakte naar beneden. “Wat is dat?!” De arm van de man hief zich zwakjes op – en sloeg toen terug in het water. Nog een scherpe ruk.
Een plons barstte los rond zijn benen en toen verdween hij. “Ga! Ga!” Schreeuwde Jack. Andrew drukte de gashendel harder. De motor gilde. Het gat werd snel gedicht. Seconden voelden als minuten. Toen brak de man weer het oppervlak. Hijgend. Nauwelijks bij bewustzijn. Zijn hoofd dook onder- kwam toen weer omhoog. Jack leunde over de rand. “We zijn er bijna!”
Andrew zwaaide de boot langszij. “Grijp hem!” Jack sprong naar voren, ving zijn arm, maar bevroor meteen. “Wacht-!” Andrew keek naar beneden. En zag het. Iets zat strak om het been van de man gewikkeld. Een lijn.
Strak getrokken. Sleept hem nog steeds vooruit.