Om vier uur ’s ochtends had een andere agent de beelden van het tankstation opgehaald. Noel zat naast Daniels terwijl ze de beelden op een tablet bekeken. De camera binnen toonde hoe de vrouw binnenkwam, herhaaldelijk door de ramen keek en de lege schoenendoos in ontvangst nam. Daarna volgde de opname van buiten. De donkere auto stond al aan de overkant van de straat geparkeerd voordat ze naar buiten stapte.
“Daar,” zei Noel. De man kwam vrijwel onmiddellijk tevoorschijn. In plaats van naar hem toe te lopen, liep de vrouw snel de andere kant op. Hij volgde haar. Bij de volgende hoek begon ze te rennen. “Ze wist dat hij daar was,” zei Noel. Daniels knikte. “Zo te zien wel.” Een andere camera verderop langs de weg liet zien hoe de vrouw het 24-uursbusstation binnenging, met de man nog steeds achter haar aan. Er waren al agenten naartoe gestuurd.
Twintig minuten later ging Daniels’ telefoon. Hij luisterde zwijgend. Noel zag hoe zijn gezichtsuitdrukking veranderde. “Ze hebben haar gevonden,” zei hij nadat hij had opgehangen. Noel stond op. “Is ze in orde?” “Ze is van streek, maar ja.” De man was haar de terminal in gevolgd, waar ze een beveiligingsbeambte had aangesproken en om hulp had gevraagd. Kort daarna was de politie gearriveerd. ‘Waarom is ze dan niet hier?’ vroeg Noel. Daniels stopte de telefoon in zijn zak. ‘Omdat de agenten nog steeds met hen beiden aan het praten zijn.’ Noel keek in de richting van Lily’s kamer. Eén ding wist hij nu tenminste zeker: haar moeder was niet verdwenen.