De volgende ochtend zat Mabel onder de keukentafel, de beste plek in het hele huis om te luisteren, omdat het tafelkleed bijna tot op de vloer reikte. „Ik weet niet wat daar aan de hand is,” zei haar moeder terwijl ze koffie inschonk, „maar er stroomt water achter dat hek, let maar op.”
Mabels knieën voelden koud aan tegen de tegels. Een lijk. „Hij krijgt nog een hartaanval, met graven op zijn leeftijd,” voegde haar vader eraan toe, terwijl hij boter op toast smeerde alsof het niets was, alsof hij niet net de engste zin had uitgesproken die Mabel ooit een volwassene bij het ontbijt had horen zeggen.
Mabel kroop achteruit naar buiten, stootte haar hoofd tegen een stoelpoot en huilde er niet eens om. Ze had nu een zaak. Een echte. Rechercheur Biscuit had nog nooit zo’n goede zaak gehad, zelfs niet in de kerstspecial.