"Sam, hoor je dat?" fluisterde Elena, terwijl haar hart tegen haar ribben bonkte en ze zich naar de rand van de instorting haastte. Het geluid was duidelijk: een gedempte, wanhopige stem die schreeuwde in een onherkenbaar, hectisch ritme. Het werd vervormd door de enorme dichtheid van de gletsjer, maar de toon verraadde de onmiskenbare paniek van iemand die gevangen zat in de ijskoude duisternis.
Sam hief zijn krachtige verrekijker op en speurde de ruwe, blauwe wand van de pas blootgelegde ijswand af. Hoog in de gletsjerspleet, begraven onder een doorschijnende laag eeuwenoud ijs, zag hij een donkere, onherkenbare vorm in een holte liggen. „Er ligt daarboven iets begraven, Elena!” riep Sam boven het geraas van de wind uit. „Er zit iemand vast in die wand! De ijsval moet hem hebben blootgelegd!”
Het besef dat niemand het binnenin een gletsjer zou kunnen overleven, werd onmiddellijk overschaduwd door pure adrenaline. De gedempte kreten waren heel dichtbij, weerkaatsten tegen het ijs en klonken alsof iemand snel aan het stikken was. Elena greep haar satelliettelefoon en belde in paniek het hoofdonderzoeksstation om een noodreddingsteam te roepen, terwijl Sam hun klimtouwen en ijsbijlen uit de slee haalde.