De weerhut lag achter de bergkam in een ondiepe vallei, half verborgen door oude sneeuwhekken en kromme dennen. Nora bereikte de hut met Erik en twee reddingswerkers laat die middag. Het gebouw was al jaren verlaten, maar van binnen zag het er eerder vervallen dan geruïneerd uit. Een verroeste kachel stond in een hoek. Twee veldbedjes leunden tegen de muur. Bij het raam stonden rantsoenblikken, een waterkoker en een oude medische omslagdoek die niet tot de oorspronkelijke voorraad van het station behoorde.
Erik zocht onder een van de veldbedden en vond een tabaksblik in een doek gewikkeld. Binnenin lag een opgevouwen briefje, droog en beschermd in al die jaren. Het was ondertekend door Adam Leen, de co-piloot van Northline 816. Het briefje was kort en geschreven in wankele blokletters. Adam zei dat het vliegtuig levend was neergekomen op de gletsjer na een omleiding waar hij tegen had gepleit. Hij en kapitein Henk Boer hadden het overleefd. Hij schreef dat ze vreesden dat de lading niet was wat de papieren beweerden. Voordat hij het vliegtuig verliet, verborg hij kopieën van verschepingsdocumenten en ander bewijs onder een vloerpaneel in het ruim, “voor het geval iemand voor hulp zou komen.” Daarna schreef hij dat ze op weg waren naar de hut om te wachten.
Onderaan was een laatste regel toegevoegd met donkere potlooddruk, alsof hij later en sneller geschreven was: Als wij verdwijnen, blijft de waarheid in het vliegtuig. Nora keek Erik aan. Het briefje veranderde alles. Het verborgen compartiment was niet langer een mogelijkheid. Het was het centrum van het verhaal.