Mike Armstrong dacht altijd dat geluk harder zou aanvoelen. Hij had het zich voorgesteld als iets vanzelfsprekends, feestelijks, onmiskenbaar. Vuurwerk. Grote momenten. Het bewijs dat het leven eindelijk in zijn voordeel was gekanteld. Maar toen Maxine werd geboren, kwam het geluk anders aan. Het vestigde zich. Het bleef. Het ademde. Ze was klein, roze en onmogelijk warm tegen zijn borst.
Mike herinnerde zich het gewicht van haar die eerste nacht, hoe bang hij was geweest om ook maar een centimeter te verschuiven, doodsbang dat hij iets verkeerd zou doen door te dicht bij haar te zijn. Carrie had naar hem gekeken vanaf het ziekenhuisbed, uitgeput en glimlachend door de tranen heen, en fluisterde: “Je kunt ademen. Ze is niet van glas.” Maar ze had er wel zin in. Maxine was alles waar ze op hadden gewacht.