Toen, om 13.17 uur, ging de voordeur open. Julia’s adem stokte. Er stapte een vrouw naar binnen – niet Evelyn, geen verpleegster in scrubs, niemand die Julia herkende. Ze droeg een getailleerd donker jasje en droeg een draagtas die zwaarder leek dan zou moeten. Ze aarzelde niet zoals vreemden deden. Ze bewoog alsof ze wist waar dingen waren.
Marcus draaide zich naar haar toe en – God, het was klein, maar het was er – zijn gezicht veranderde. Een glimlach. Niet beleefd. Niet vermoeid. Echt. De vrouw stak de woonkamer over en raakte zijn schouder lichtjes aan, één keer maar, als een signaal. Marcus knikte en keek meer naar haar handen dan naar haar gezicht. Ze hurkte bij de koffer en haalde er iets uit.