De deur stond op een kier. Binnen voelde de lucht kouder aan dan zou moeten, het soort kou dat van buiten komt. Het raam bij de hoek was nu dicht, maar de klink was niet helemaal dichtgedraaid en het gordijn hing verkeerd, alsof het haastig opzij was geschoven en terug was gevallen. Julia stak de kamer over en drukte haar vingertoppen tegen het glas.
Het was koel, fris-koel, niet de muffe temperatuur die het normaal had. Toen viel haar oog op de rest. Een van de weerstandsbanden hing niet langer aan de haak waar ze hem aan vasthield. Een opgevouwen mat leunde in een andere hoek tegen de muur. Het kleine krukje dat ze gebruikte om dingen op hun plaats te houden stond een halve meter van zijn gebruikelijke plek, alsof iemand het had verplaatst zonder zich te bekommeren om het precies terug te zetten.