Sarah stond op, veegde haar gezicht af met de rug van haar hand, praatte al met een agent over verdoving, transport, triage hoe de honden veilig te verplaatsen, wie het eerst water nodig had, wie zou bijten uit angst. En toen Rex zich eindelijk bewoog – een trilling in zijn oren, een langzame knipoog – vond zijn neus instinctief Eleanors handpalm. Hij drukte zich in haar hand, zwak maar zeker.
Eleanor lachte door de tranen heen, een geluid dat ze nauwelijks in zichzelf herkende. “Je komt naar huis,” fluisterde ze. Rex’ staart bonkte een keer tegen het grind. De agent wierp een blik op hen. “Mevrouw,” zei hij nors, “laten we jullie allebei terugbrengen naar de kliniek. En dan… brengen we hem naar huis.” Deze keer nam niets hem mee.