Het duurde niet lang. Vlakbij de tweede rij bomen zag Samantha iets bleeks tegen de grond liggen. Ze haastte zich ernaartoe, haar borstkas verkrampte pijnlijk en ze zakte door haar knieën. Haar vingers stootten tegen een enorme adelaarsveer – wit en bruin, onmiskenbaar in het ochtendlicht.
Een sprankje hoop lichtte in haar op. Ze zwaaide verwoed naar Alex en de anderen, terwijl haar hart haar keel dichtkneep. Ze draaide zich om en scande de boomgaard wild, haar zaklamp schoot over elke tak, elke wirwar van struiken, wanhopig op zoek naar een glimp van een witte vacht of een verborgen nest.