Maar het was geen wind. Het was gejammer. Ze bevroor. Toen kwam het weer, duidelijker deze keer. Een hoge, trillende schreeuw. Niet menselijk. Geen vogel. Een geluid geboren uit pijn, angst en opsluiting. Ze rende erheen, haar hart bonkte. En daar was het. Het welpje. Een kleine beer met een roomwitte vacht zat verstrikt in een netval die tussen twee lage bomen in de grond was gespannen.
Zijn ogen waren wijd en angstig, zijn poten geschaafd van het proberen om door het gaas te klauwen. Hij slaakte nog een gebroken kreet toen Evelyn dichterbij kwam en in paniek wegschrok. “Oh nee,” hijgde ze. “Arm ding…” Ze viel op haar knieën en probeerde het gaas los te maken. De knoop zat strak om gedraaid draad en palen.