Hij probeerde naar buiten te gaan, boodschappen te doen, met vreemden te praten. Sommigen herkenden hem, de meesten niet. Dat was nog erger. Hij was het soort man geworden dat mensen vergaten, zelfs als ze naar hem keken. Een geest in het volle zicht.
De winter kwam en daarmee een soort gevoelloosheid. Het huis voelde niet langer spookachtig, alleen hol. Hij deed de gordijnen niet meer open. Dagen vervaagden tot grijze vormen door matglas. Soms betrapte hij zichzelf erop dat hij naar voetstappen luisterde en lachte dan bitter. Zelfs de geesten leken verder te zijn getrokken.