Het beeld was korrelig, zwart-wit, omlijst door schaduwen. Een figuur met een capuchon kwam binnen vanaf de rand. De persoon was slank en aarzelend. Ze knielden, het hoofd gebogen, en bewogen een lang moment niet. Toen legden ze met trillende handen iets op de grond. Ellen leunde dichterbij. Het was weer een stuk speelgoed dat vaag glinsterde in de nacht.
Haar hart bonsde toen de figuur de grond glad streek en cirkels trok in de buurt van Sam’s naam. De bewegingen waren weloverwogen en zacht. Ze tuurde naar de omtrek. Ze kon het gezicht niet onderscheiden. De persoon leek klein. Was het David? Was hij misschien afgevallen? Ze bevroor het beeld en vergrootte het tot het helemaal wazig werd.