Het handschrift was onbekend. Het was zacht en afgerond, niet mannelijk en niet vrouwelijk. Ellen staarde er een lang moment naar, haar adem zichtbaar in de ochtendkou. Wie het ook geschreven had, wist hoe hard Sam gevochten had. Iedereen die hem kende noemde hem “een dappere jongen”.
Ze stond daar lange tijd, onzeker of ze zich getroost of geschonden moest voelen. Was dit een vreemde die medeleven aanbood? Was het iemand die Sam intiem had gekend, of iemand die haar wilde pakken door zijn dood? De gedachte stuurde een rilling door haar heen.