Ellen stopte de volgende ochtend bij het kantoor van de begraafplaats, haar stem voorzichtig, beleefd. “Heeft iemand zich na sluitingstijd aangemeld? Of gevraagd om perceel negentien te bezoeken?” De beheerder schudde zijn hoofd. “Geen camera’s bij de poorten,” zei hij met een zucht. “Soms sluipen families door het hek naar binnen. Verdriet doet rare dingen.”
Die nacht, niet in staat om te rusten, reed ze weer langs de begraafplaats, koplampen gedimd tot een schijnsel. De weg kronkelde door mist, bomen bogen boven haar hoofd. Toen zag ze een flikkering tussen de takken, zwak en onvast. Een zaklamp? Of gewoon een reflectie? Ze stopte, haar hart ging tekeer, maar toen ze uitstapte, antwoordde alleen de regen.