Ze doorliep de avondroutines bij kaarslicht toen de stroom uitviel. De wind suisde langs de dakrand en liet de ruiten trillen. De knusheid neigde naar opsluiting; elk geluid buiten scherpte haar oren. Lauren zei tegen zichzelf dat het gewoon het weer was, niets meer, terwijl de schaduwen over de vloer langer werden.
Toen kwam het geluid – eerst zacht, toen dringend tegen de rammelende deur. Lauren bevroor, haar hart versnelde. Wie zou er buiten zijn? Probeerden ze in te breken? Ze gluurde door het matglas en zag alleen wervelend wit en een ineengedoken gedaante. Aarzeling en angst grepen haar vast, maar de koude nacht trok harder.