Ze biedt onderdak aan een oude vrouw in een sneeuwstorm. De volgende dag verschijnt er een miljonair en alles verandert..

Toen de nacht dieper werd, verzachtte Mabel’s stem in herinneringen bij het haardlicht. Ze sprak over haar overleden broer, Arthur Winthrop, de twee die een leven opbouwden vanuit het niets – eigendommen verspreid over verschillende provincies, “meer geld dan ik weet wat ik er nu mee moet doen.” Haar woorden stroomden warm en schilderden beelden van zomers die lang vervlogen waren.

De ochtend bracht havermout en meer verhalen. Mabel’s ogen lichtten op toen ze Charles weer prees – “zo’n vaste hand met alles” – en dwaalden dan af, onzeker. “Hij is alles wat ik heb. Denk ik.” De pauze bleef hangen, kort als een schaduw, voordat ze glimlachte en het onderwerp veranderde in quiltpatronen.