Het gesprek dat volgde leek in niets op de scènes die ze zich in haar jongere jaren had voorgesteld. Geen geschreeuw, geen gebroken borden. Damiens stem bleef zacht, bijna verveeld. “Als je weggaat om zoiets als dit, gooi je alles weg.” Hij schudde zijn hoofd, alsof zij degene was die een wilde fout maakte.
Voor het eerst hoorde ze het anders. Zijn kalmte klonk niet stabiel, maar geoefend. De kamer leek plotseling klein, alsof haar hele leven zich langzaam om zijn versie van de gebeurtenissen had gevouwen. Haar handen trilden nog steeds, maar onder het trillen zat een dunne, verrassende lijn van vastberadenheid.