De rit naar het huisje voelde alsof ze door lagen van zichzelf bewoog. Stadstorens vielen weg, vervangen door open velden en kale bomen bestrooid met vroege vorst. Met elke kilometer werd het lawaai in haar hoofd een beetje stiller. Tegen de tijd dat de weg zich vernauwde tot een bos, kon ze haar eigen ademhaling weer horen.
Het huisje wachtte aan het einde van een grindpad, het dak gebogen tegen de hemel, de ramen bewolkt door ouderdom. Het was niet zo mooi als haar oude appartement was geweest. Het zag er eerlijk uit, een plek die op niemand indruk hoefde te maken. Toen Lauren binnenstapte, klonk het kraken van de vloerplanken als een welkom.