Hij stapte uit de bus met de anderen en liep naar het pakhuis alsof hij daar hoorde, schouders recht, pas geoefend. Toch klopte er iets niet. Van dichtbij kon ik het aan zijn gezicht zien. De zwaarte rond zijn ogen. De manier waarop zijn aandacht een halve seconde achterbleef op de wereld, alsof hij nog niet helemaal gearriveerd was. Hij zag er uitgeput uit op een manier die slaap niet kon verhelpen.
Als iemand die wakker was geweest zonder zich daarvan bewust te zijn. Ik stapte uit de cruiser. Toen ik de binnenplaats overstak, zag hij me. Een flikkering van herkenning, niets dramatisch, maar genoeg. Zijn hoofd ging omlaag, zijn schouders verstrakten en zonder een woord te zeggen draaide hij zich om en verdween door de deuren van het pakhuis. “Hé!” riep ik. Hij stopte niet.