Maar ze bleven komen. Tegen de tijd dat we klaar waren met het papierwerk over de ene inbraak, werd er ergens anders in de stad alweer een nieuwe gemeld. We konden geen patroon bewijzen. Gewoon dezelfde vermoeide blik op de gezichten van huiseigenaren als we zeiden dat we “een oogje in het zeil zouden houden”
Voor een afdeling als de onze was dat genoeg om iedereen op scherp te zetten. Daarna liet de kapitein ons in hoogste staat van paraatheid verkeren. Het appèl was niet meer gewoon. Er verschenen kaarten op het bord, buurten werden omcirkeld en opnieuw omcirkeld naarmate de meldingen zich samenpakten. We moesten zichtbaar zijn, vertragen, opmerken wat er niet hoorde.