Een ara komt elke dag op het balkon van een man langs — en dan ziet hij wat er aan zijn poot zit…

De ara was op een dinsdag verschenen; hij zag er vochtig uit van een ochtendbuitje en was duidelijk chagrijnig. Arthur stond als aan de grond genageld en hield zijn adem in om de indrukwekkende wilde vogel, die van kop tot staart gemakkelijk drie voet lang was, niet te laten schrikken. Hij legde langzaam een stukje banaan op de reling en deed weer een stap naar binnen, waar hij door de glazen deur toekeek hoe de vogel de traktatie binnen enkele seconden verslond, voordat hij wegvloog.

Tegen de tweede week was de vogel een dagelijkse verschijning geworden; hij kwam precies om drie uur ’s middags aan met een luid, schor gekrijs. Arthur begon hem „Red“ te noemen, in de veronderstelling dat de vogel gewoon een van de vele wilde ara’s was die in de vallei leefden. „Je bent een punctueel ventje, hè?“ zei Arthur op een middag hardop, waarbij hij zichzelf verraste met de klank van zijn eigen stem die over het lege balkon weerklonk.

In de derde week merkte Arthur op dat de vogel zich niet gedroeg zoals de andere wilde vogels in de bomen. Red toonde geen enkele angst voor menselijke bewegingen en keek naar Arthur met een verontrustende, doordachte blik. Toen Arthur op een middag een lepel liet vallen en verwachtte dat de vogel de lucht in zou schieten, hield Red alleen maar zijn kop schuin en mompelde een schorre klank die opvallend veel op een grinnik leek.