Een ara komt elke dag op het balkon van een man langs — en dan ziet hij wat er aan zijn poot zit…

Arthur tilde voorzichtig de dikke rode veren op; zijn handen trilden toen hij het verborgen voorwerp tevoorschijn haalde. Het was een dunne, lichtgewicht aluminium identificatieband die stevig om het pootje van de papegaai was gewikkeld, volledig op maat gemaakt. Op het oppervlak, nauwelijks zichtbaar onder een laagje stof, stond een vage regel gegraveerde tekst en een lange reeks cijfers, naast een minuscuul gegraveerd silhouet van een zeilboot.

Met kloppend hart pakte Arthur zijn leesbril van de tafel, boog zich voorover en las het kleine opschrift hardop voor. „Mateo...“, gevolgd door een lokaal telefoonnummer uit Costa Rica. Arthur haalde diep adem en keek omhoog naar de rustige ogen van de vogel. „Zullen we hem dan maar Mateo noemen?“ Arthur zou zweren dat het oog van de vogel oplichtte bij het horen van die naam.

Zonder aarzelen pakte Arthur met trillende vingers zijn mobiele telefoon op en toetste de cijfers in die in het metaal waren gegraveerd. De lijn ging één keer, twee keer, drie keer over; elke toon leek de stilte in de kamer te verlengen, totdat er eindelijk aan de andere kant van de lijn een ademloze, aarzelende vrouwenstem antwoordde. „Hola?” vroeg ze.