Een boot raakte hen bijna in het midden van de oceaan – wat ze aan boord vonden deed hen onmiddellijk handelen

De stilte voelde verkeerd. Te compleet. Andrew stond stil en scande het water. “Kijk goed,” zei hij. Jack knikte en stapte naar de rand. Ze zochten in tegengestelde richtingen. Links. Rechts. Achter hen. Niets. Geen beweging. Geen brokstukken. Geen rimpeling die niet op zijn plaats is. Alleen eindeloos blauw. Jack fronste. “We zouden tenminste iets moeten zien.”


Andrew gaf geen antwoord. Hij leunde over de rand en staarde in het water. Donker. Bodemloos. Als er iemand was, was die niet zichtbaar. Jack ademde langzaam uit. “…We zijn precies op de goede plek.” Andrew controleerde de GPS opnieuw. Dezelfde coördinaten. Geen vergissing. Jacks stem zakte. “…Waar is hij dan?” Andrew ging rechtop staan, met een strakke kaak. Er waren maar een paar mogelijkheden.

En geen enkele was goed. Jack keek terug over het water. Het besef kwam langzaam binnen. Zwaar. Onvermijdelijk. “…We zijn te laat.” Andrew reageerde niet. Hij bleef maar staren – alsof de oceaan plotseling iets terug zou geven.


Maar dat deed het niet. Het bleef stil. Stil. Leeg.